“Ik heb ooit een term moeten verzinnen voor mijn poëzie en toen bedacht ik ‘epische rap’.” Sven Ariaans over de Amerikaanse wortel in zijn poëzie, zijn poëzieopera, zijn buurman en zijn epische rap.
“Voor slamrondes schrijf ik altijd gedichten van drie minuten, de standaardlengte van een voordracht voor een slamronde. Je kunt ook drie gedichten van alle drie een minuut schrijven. In Amerika hebben ze vaak gedichten van drie minuten. Het begint er traag met een uiteenzetting, dan komt een versnelling waarmee ze zich ontzettend opwinden” – Ariaans zwaait met zijn handen – “en aan het eind komt een mooie, moralistische boodschap. Dat is Amerika, daar houden ze van moralistische boodschappen. Daardoor ben ik in zekere zin geïnspireerd. Ik vond de versnellingen en vertragingen, het spektakel, heel mooi.”
Aandacht van het publiek
Ariaans vind het leuk om te spelen met versnellingen en vertragingen. “Liefst wil ik dat een gedicht mij niet oplegt hoe ik het voordraag, snel of langzaam. Dat betekent dat ik de meeste van mijn gedichten en afzonderlijke gedeelten daarvan in willekeurige snelheden kan voordragen en zelfs bij elke zin kan bepalen of ik langzaam of snel ga. Met name als ik optreed is dat een groot voordeel. Dan kijk ik goed naar hoe het publiek reageert. Op het moment dat ik merk dat de aandacht van het publiek verslapt – omdat het te langzaam gaat, is soms mijn gevoel – versnel ik.”

“Ik heb op veel verschillende podia gestaan en als ik uitgenodigd wordt, heb ik de aandacht van het publiek al; dat komt speciaal voor mijn optreden. In een café waarin niemand zit te wachten op een poëtische avond, zitten stamgasten die tussendoor ouwehoeren en dat zijn de spannende momenten. De uitdaging is om die mensen erbij te krijgen. Dat vind ik leuk om te doen.”
Ariaans heeft eens workshops gegeven aan scholieren, ook een uitdaging: “Dan zitten er een paar van die ettertjes bij die er niets mee hebben, die lachen en ouwehoeren. Het helpt dat ik een vrij groot repertoire heb, waarbij ik weet: dit is een geschikt gedicht voor die etters. Dan spreek ik hen aan, ‘eentje voor jullie’, en blijf ik hen aankijken. Op het moment dat ik aan hen zie dat ze het niet meer kunnen volgen, ga ik langzamer en als ze verveeld kijken, ga ik sneller. Het volume van je stem is ook belangrijk. Een fout die veel mensen maken, is dat ze bij rumoer harder praten. Dat moet je nooit doen. Vaak moet je juist dan zachter praten en meer met je houding doen, waardoor ze denken ‘er is iets aan de hand’. Een hoog volume moet als een verrassing komen.”
Repertoire van circa 100 gedichten
“Bij nieuw materiaal zorg ik ervoor dat ik het uit mijn hoofd ken. Het oude repertoire ken ik sowieso, veel gedichten kan ik bij wijze van spreken onder narcose voordragen. Ze zitten er zo ingeramd. Ik schrijf relatief weinig nieuwe gedichten, maar een paar per jaar, want ik heb inmiddels een groot repertoire waar ik lekker uit kan putten. Net als bandjes. Die weten op een gegeven moment: dit zijn mijn greatest hits, die vindt het publiek leuk om te horen.”
Volgens Ariaans bestaat zijn repertoire uit meer dan honderd gedichten. “Waarvan twintig gedichten waarmee ik slams kan winnen. Dit zijn gedichten van drie minuten of twee a4’tjes, behoorlijke lappen, in totaal dus ongeveer 40 a4’tjes, die ik ten alle tijden uit mijn hoofd kan voordragen. Daarnaast heb ik nog een heleboel andere dingen.”
“Het klinkt een beetje pretentieus, maar ik heb een keer een poëzieopera gemaakt. Ik krijg wel eens de vraag om op te treden, een keer zelfs voor drie kwartier. Dat kan echt niet, voor poëzie is dat te veel: na tien minuten moet er echt iets anders tussendoor, muziek of zo, anders ligt iedereen plat. Maar zij wilden dat ik minstens een half uur deed. Toen dacht ik: ik speel gitaar, laat ik een poëzieopera maken – de band The Who maakte ook ooit zoiets – waarbij gedichten en liedjes die samen een verhaal vormen, elkaar aflossen. In mijn repertoire zitten daarom gedichten die alleen in dat verhaal passen.”
Persoonlijk verhaal
“Ik vond het een eng idee dat ik in mijn eentje gitaar zou spelen. Ik speelde wel al lang gitaar, maar ik ben niet de beste gitarist en ik ben meer van de liedjes en eventueel het zingen. In de tijd dat ik nog in de band Turn Left zat en het publiek vond het niets, dan zeiden we tegen elkaar ‘dat ligt aan het publiek’. In een band kun je je altijd verschuilen. Wij waren toen met z’n vieren. Als je in je eentje optreedt en je schrijft je eigen teksten, is het veel enger. Als het publiek het dan niets vindt, voel je je een stuk ellendiger. Van mezelf weet ik dat gedichten wel lukken, maar van liedjes wist ik het niet. De eerste paar keren lukte het ook niet, het poëzieopera. Ik was zo nerveus dat ik de akkoorden niet goed kon pakken, ik begon te trillen.”
“De zenuwen voor optredens zijn iets minder nu, maar het gaat niet over. Een beetje spanning is goed, te routinematig op een podium staan werkt niet. Mensen merken nooit dat ik zenuwachtig ben, behalve als ik een blaadje vasthoud. Op slampodia ziet je ook iedereen met blaadjes trillen. Zeker als je een persoonlijk gedicht hebt geschreven kan het zenuwen geven. Ik heb wel wat behoorlijk autobiografische gedichten, die vind ik eng om te doen.”
“Het enge van autobiografische gedichten voordragen zit ‘m met name in het blootgeven van jezelf. Als je voordraagt over een ander, zoals ik doe met bijvoorbeeld ‘De Buurman’ (zie volgend kopje, red.), blijf je zelf buiten schot. Op het moment dat je een (semi-)autobiografisch gedicht voordraagt loop je altijd het risico dat mensen bijvoorbeeld denken: ‘wat een narcist’ of ‘wat een loser’.”
“Voordrachtspoëzie werkt goed als je een persoonlijk verhaal vertelt. Het hoeft niet waar te zijn, je kunt doen alsof het waar is. Frans Kellendonk zei eens: ‘Schrijven is niets anders dan oprecht veinzen’. Of zoals Reve zei: ‘De waarheid is geen excuus’, waarmee hij bedoelde dat je juist fictie moet schrijven. Dat is het wel een beetje, maar als je fictie schrijft, moet je het oprecht kunnen brengen, vind ik. Dat is een van de belangrijkste dingen. Als ik op het podium sta, wil ik dat mensen geloven dat mijn verhaal waar is, of waar zou kunnen zijn. Vanuit een ik-persoon vertellen helpt dan.”
De Buurman
“Een bekend gedicht van mij heet ‘De Buurman’ (zie hier). Ik woonde aan de Kanaalstraat en een paar huizen verderop woonde een man die op een avond helemaal was doorgedraaid en zijn huisraad uit het raam flikkerde. Zijn vrouw was met zijn beste vriend vreemdgegaan. De man heeft later zelfmoord gepleegd.” Ariaans draagt het gedicht bijna nooit voor op slams, want daarvoor is het te lang: het gedicht duurt 6 minuten.
“Het is een heel toegankelijk gedicht. Als ik het moet voordragen in met name bruine cafés met alleen maar oude, eenzame mannen, werkt het gedicht heel goed, omdat het geschreven is uit sympathie voor zo’n man. Het is eigenlijk geschreven vanuit de derde persoon met af en toe een ik-perspectief. De man is goed in moppen vertellen en dat doet hij ook in cafés en hij voelt zich er helemaal geweldig, maar als het café dicht gaat, is hij weer alleen. Het heeft twee kanten zoals in veel van mijn gedichten.”
Epische rap
“Ooit heb ik een term moeten verzinnen voor mijn poëzie en toen bedacht ik dat het epische rap is. Mijn gedichten hebben een begin en eind, ze zijn verhalend – episch – en ritmisch, ze rijmen en zitten zo tegen het rapachtige aan. Epische rap. Ik vind het een mooie omschrijving. Ik houd ook erg van het bekende rapritme. Ik kom uit de blues rock. Rock ’n roll en blues rock hebben eigenlijk vaak dezelfde drie akkoorden, hetzelfde schema. Liedjes die afwijken, bevatten toch vaak die akkoorden, maar in een iets andere volgorde of ze zijn anders getimed. Het klassieke rock ’n roll-ritme, zoiets heb je ook in de rap, vind ik een heel lekker ritme.”
“Een paar van mijn gedichten gaan volgens dat klassieke rapritme. Het rapritme bestaat vaak uit twee korte zinnen, zodat het twee keer vlak achter elkaar rijmt, en de derde zin komt wat later. Eigenlijk bestaat het allemaal uit vier zinnen. De derde zin rijmt even niet, die loopt automatisch over op de vierde zin en de vierde zin heeft het slotrijm dat het krachtigst moet zijn, daar ligt de nadruk op. In de eerste en tweede zin wordt een bewering gedaan en in de derde wordt daar vet overheen gegaan. Met dit ritme houd je de aandacht vast van het publiek.”
Vooral ritme en poëtische beelden zijn voor Ariaans belangrijk. “Bij mij is het wel een voorwaarde dat het lekker bekt. Ik heb momenten dat ik het leuk vind om heel poëtisch taalgebruik te bezigen. Dan moet ik alleen oppassen dat het niet te ironisch wordt, het moet zichzelf niet onderuit halen.”
“Ik kan ook ontzettend veel lol hebben om juist in spreektaal een strofe te schrijven of bijvoorbeeld een zin te maken die acht regels doorloopt, die helemaal ritmisch correct in elkaar zit. Ik maak veel gebruik van een walsachtig ritme… ta ta ta, ta ta ta, ta ta ta… elke klemtoon op de eerste lettergreep of op de derde. Klemtonen, daar gaat het bij mij om. Ik geloof dat daar mijn kracht in ligt, in het lekker laten lopen van gedichten. En subtiel binnenrijm. Eindrijm gebruik ik minder, tenzij het echt kan, als het een statement is.”
Lees deel 1 van het interview hier.
Tags:epische rap, gedichten, interview, poëzieopera, podiumdichter, sven ariaans, voordragen