Anton Dautzenberg debuteert als dichter (in de meimaand?)

22 mei

In mei leggen alle vogeltjes een ei en ook de schrijver Anton Dautzenberg doet mee aan de feestelijkheden, dat is althans de planning. In zijn dichtbundelachtige ‘Smerig gezwel wat je bent (een bloemlezing uit de bedreigingen aan Martijn)’ kondigt hij aan dat deze maand zijn debuutbundel verschijnt bij uitgeverij De Contrabas. De werktitel is ‘Na de punt’.

We kunnen veel verwachten van deze Brabander. Hij heeft als schrijver van onder andere verhalen(bundels) en romans al een stevige naam. In 2010 bracht hij ‘Vogels met zwarte poten kun je niet vreten’, een bundel absurdistische kortverhalen, en in 2011 volgde de eveneens opmerkelijke roman ‘Samaritaan’.

‘Samaritaan’ vertelt het verhaal van een man die een nier afstaat aan een onbekende (net als de auteur). Het verhaal bestaat volledig uit gesprekken, een paar keer zelfs tussen de hoofdpersoon en de nier die hij afstaat. Ook met ‘Vogels met zwarte poten…’ geeft Dautzenberg blijk van een hoogst creatieve geest door onmogelijke en vreemde toestanden mogelijk te maken.


Opvallende gedichten

Dautzenberg als dichter zal niet veel anders zijn dan de persoon als schrijver. Op het gedichtenforum van De Contrabas publiceerde hij tot nu toe een drietal gedichten, waarvan twee erg opvallende; ‘leerleven‘ en ‘147‘.

Waarvan deze gedichten precies getuigen – iemand die graag de grens opzoekt, iemand die er geen zin in heeft of iemand die gloednieuwe ideeën heeft over de poëzie – weet ik niet, maar het geeft gekleurde verwachtingen. Hopelijk komt Dautzenberg die na in zijn debuutbundel. Het derde gedicht op het Contrabasforum is wat gangbaarder: ‘pestilentie‘.

Verzonnen interviews
Dat Dautzenberg een persoon zou zijn die grenzen zoekt, wordt bevestigd door een aantal bewogen bezighedenvan de schrijver in 2011. Dat jaar schreef hij in de VPRO Gids een drietal verzonnen interviews. Tijdens een gesprek met hoofdredacteur Hugo Blom van de VPRO Gids, bleek dat de schrijver de werkelijkheid als thema onderzocht “door deze te duiden, te manipuleren, te transponeren, te vermenigvuldigen of te negeren”.

Blom kon niet waarderen dat de ‘interviewer’ op eigen initiatief verzonnen interviews schreef, maar Dautzenberg mocht blijven. Van veel mensen kreeg Dautzenberg overigens lovende reacties op zijn werkelijkheidsonderzoekende initiatief. Belangrijk om te weten is dat de VPRO Gids een journalistiek blad is. Door verzonnen interviews te schrijven is Dautzenberg over een gevestigde journalistieke grens gegaan, namelijk die van waarheidsgetrouwheid.

Lid van pedovereniging Martijn
Ook in 2011 werd Dautzenberg lid van pedoclub Martijn, echter niet omwille van een pedoseksuele geaardheid, maar omdat hij tegen “de heksenjacht tegen pedofielen” is. Hij denkt dat het beter is een vereniging als Martijn toe te staan, om te voorkomen dat pedo’s ondergronds gaan. Daardoor zou Nederland alleen maar kindonveiliger worden. Dautzenberg zelf deelt het gedachtegoed van Martijn absoluut niet en verwerpt pedofiele handelingen.

In maart 2012 kapte Dautzenberg met zijn lidmaatschap, nadat hij herhaaldelijk bedreigd werd. Vlak voor zijn opzegging verscheen ‘Smerig gezwel wat je bent’, waarin Dautzenberg bedreigingen aan het adres van Martijn bewerkt heeft tot gedichten.

Veelschrijver
Dautzenberg studeerde economie en taal- en letterkunde, staat op zijn website. Volgens Wikipedia zou hij echter bedrijfskunde en journalistiek gestudeerd hebben. In 2010 publiceerde hij ‘Rock € roll. Economie voor en door leken verklaard’ en al eerder verschenen boeken van hem onder pseudoniem Troy Titane. Daarnaast schrijft hij columns, (kort)verhalen, opiniestukken en gedichten voor veel (litaire) magazines en voor weblogs en kranten. Verder verschijnt hij af en toe in een filmpje op internet of op tv en runt hij een communicatiebureau.

Tags:, , , ,

Stadsdichter van Tiel. Interview met Sven Ariaans (5)

3 apr

Oktober 2011. De gemeenteraad in Tiel gaat, deels dichtend, overstag. In de raadszaal heerst een blijde sfeer. Een eerder plan voor een stadsdichter, het plan van caféhouder Teus Verduin (Stadscafé Hexagon) is een half jaar geleden nog verworpen, maar nu gaat de gemeenteraad unaniem akkoord met een nieuw initiatief, afkomstig van Partij van der Burg (PvdB), CDA en Groenlinks. Op 5 November is het officieel; Ariaans is stadsdichter.

De Tielse gemeenteraad nodigde Ariaans in het voorjaar van 2011 uit om een gedicht voor te dragen tijdens het Gelders Stedelijk Overleg. Volgens Ariaans wilde de raad indruk maken op de provincieambtenaren. “We schijnen ergens een dichter te hebben, misschien dat hij de middag wil afsluiten met een gedicht,” reconstrueert Ariaans de gedachte van de gemeente. Aldus geschiedde: Ariaans schreef een gedicht, droeg het plechtig voor – het was in de St. Maartenskerk in Tiel – en liet de raad schrikken; zijn voordracht was indrukwekkend.

Pieter van der Burg (PvdB), die Ariaans een paar jaar eerder al uitnodigde op Jazzy Tiel en hem daar introduceerde als ‘nachtburgemeester’, lobbyde voor een nieuw stadsdichterplan. Het wierp vruchten, hoewel Ariaans nog twijfelde. “Ik vond het een leuk initiatief, maar ik had daar geen tijd voor. Ik werk, treedt vaak op, zit in veel jury’s, werk nog mee aan Appelpop en ik heb veel vrienden. Maar Pieter zei ‘jawel joh, al is het maar voor twee jaar’. ‘Oké, kijk maar,’ zei ik. De gemeenteraad ging unaniem akkoord.”

Problemen
Via Twitter en brieven in de krant merkte Ariaans dat zijn aanstelling als stadsdichter niet door alle Tielenaren werd begrepen. “Ik kan me voorstellen dat ze denken: ‘hallo, wat doet die gozer hier? Hij woont hier niet eens’. Wat vooral doorslag gaf voor het stadsdichterschap, was dat het een vorm van stadspromotie is.” Zelf heeft Ariaans geen moeite met het Tielse stadsdichterschap, omdat hij betrokken is bij Tiel en via familie en vrienden op de hoogte blijft van de ontwikkelingen.

Eigenlijk wilde hij niets voor zijn werk hebben. “Maar als ik het gratis doe dan denken ze in een andere stad ‘kunnen we het hier ook gratis doen?’ Dus ik doe het voor een minimale vergoeding. Ik moet minimaal een dag vrij nemen om een gedicht te kunnen schrijven – het klinkt misschien fout – maar dat kost me 200 euro. Als computerprogrammeur verdien ik best goed, vind ik. Die 200 euro is een soort onkostenvergoeding voor mij.”

Ariaans betreurt het dat het plan van caféhouder Verduin niet werd goedgekeurd. “Teus Verduin had een leuk idee, een hartstikke goed plan. Hij wilde een avond organiseren en iedereen die zich in zou schrijven, kon meedingen naar het Tielse stadsdichterschap, maar het plan werd afgekeurd door de gemeenteraad. Waarschijnlijk omdat het te duur was voor de begroting van de gemeente.” (Reactie van Teus Verduin op de afkeuring)

Stadsgedicht één
Ik spreek Ariaans een week voor hij zijn eerste stadsgedicht (Theole) zal voordragen voor een volle schouwburg en ter gelegenheid van de inwijding van Hans Beenakker als burgemeester van Tiel. Ariaans is de vorige dag begonnen met het gedicht. “Het gaat wel lukken,” lacht hij terwijl hij het tafelblad met pakje shag aankijkt. “Ik heb hem niet veel nieuws te vertellen, want hij is in Tiel opgegroeid. Ik denk dat ik een gedicht ga maken over de historie van Tiel en zo. Het idee is nu om de geschiedenis in een sneltreinvaart te doen. Het moet drie of vier minuten lang worden, in mijn tempo is dat 100 tot 150 regels.”

“Ik moet nog een ‘dat is het’ krijgen in het verhaal. Een boodschap, een diepere laag. Het is spannend of dat gaat lukken.” Starend met een grijns: “Het lukt wel.” Ariaans knippert met zijn ogen en stelt zichzelf knikkend gerust: “Jawel hoor…” “Het werkt bij mij beter als ik ervoor ga zitten. Vrijdag ga ik ermee verder, als het tegenzit doe ik het op zaterdag en anders zondag. In een noodgeval neem ik maandag vrij, maar dat is niet nodig denk ik.”

“Voor Tiel is het de eerste stadsdichter en het is een vrij eenvoudige invulling gegeven. Ik moet twee, maximaal drie keer per jaar een gedicht schrijven bij een gelegenheid. Ik vind het prettig om dat te doen, ik kan vrij goed in opdracht schrijven. Veel dichters willen ontzettend veel vrijheid, zodat ze hun eigen ideeën uit kunnen werken.”

Volgens Ariaans is het Tielse stadsdichterschap aardig vrij. “Ze weten wat voor vlees ze in de kuip hebben. Voor het Gelders Stedelijk Overleg had de gemeente van tevoren duidelijk aangegeven wat in het gedicht moest. Voor het eerste stadsgedicht hadden ze ook wel dingen die erin moesten.” Ariaans overdenkt de opdracht voor het eerste stadsgedicht even in stilte en komt tot een conclusie: “Volgens mij gaat het erom dat het een goed gedicht is en een leuke opluistering van de avond.”

“De gemeenteraad vind het vooral leuk dat een buitenstaander naar Tiel kijkt als stadsdichter. Buitenstaanders kijken meestal anders dan insiders. Ik ben het allebei, dat is misschien ideaal.”

De Betuwe in Tiel, de Betuwe in Amsterdam
De stadsdichter van Tiel werd geboren in een flatgebouw aan de Wadenoijenlaan (14 mei 1969). Hij haalde zijn vwo-diploma (vwo-atheneum) en vertrok daarna voor zijn studie econometrie naar Amsterdam. Regelmatig brengt hij een bezoekje aan Tiel, waar veel familie en vrienden nog wonen. Zeker toen hij nog in Turn Left speelde en in het bestuur van Appelpop zat, kwam hij vaak in Tiel.

“Ik ben een vrij nostalgisch type, ik houd van dingen – plaatsen bijvoorbeeld – uit het verleden. Ik vind het heel lekker om in Tiel te lopen. Af en toe loop ik langs mijn geboortehuis of langs de Haaftenlaan waar ik vanaf mijn vijfde woonde. Of langs mijn oude school. Het geeft me een prettig gevoel. Elke hoek van Tiel heeft voor mij een herinnering.  Ook Passewaaij. Dat is absoluut niet mijn favoriete wijk, omdat ik weet hoe het er vroeger was. Daar waren de boomgaarden waar we pruimen jatten, tour de france’je speelden. En hardlopen hebben we daar vaak gedaan. Via de Haaftenlaan zat je zo in de natuur.”

“Ik houd erg van groen, van bomen. Daarom woon ik in een straat met relatief veel bomen en vlakbij het Vondelpark. Mijn vriendin en ik hebben thuis een dakterras met veel fruitboompjes. Een kersenboompje, drie appelboompjes, een pruimenboompje, perenboom en een frambozenstruik. We hebben waarschijnlijk een van de dichtst begroeide dakterrassen van de buurt. Ik heb de Betuwe een beetje nagebouwd, in het klein dan,” zegt Ariaans met een grijns van oor tot oor.

Lees hier een ander interview met Sven Ariaans (uit 2006). En op deze pagina onder het kopje ‘Podium’ het gedicht ‘Picknick in het Vondelpark in de herfst’.

Lees hier deel 4 van dit interview.

Tags:, , , , , ,

Nu proza (en straks poëzie). Interview met Sven Ariaans (4)

26 mrt

Ariaans begon in de muziek, kwam in de poëzie en de volgende stap is proza. “Ik hoop dat ik voor mijn 50e een roman heb geschreven.” Maar poëzie blijft volgens hem de hoogste vorm.

“Als kind wilde ik al schrijver worden. Dat lag niet voor de hand, want voor schrijven had ik altijd lage cijfers. Opstellen schrijven vond ik wel leuk. Mijn vader wilde eigenlijk schrijver worden en heeft een kindertoneelstuk geschreven vlak voordat ik geboren werd. Dat toneelstuk wordt soms nog opgevoerd. Maar hij kreeg kinderen en was leraar Nederlands, dus hij had geen tijd meer voor schrijven. Ik hield van boeken lezen en als je iets leuk vindt, wil je het zelf ook doen.”

“Met Sinterklaas staken we veel tijd in gedichten, dat was een familiedingetje. Daar komt het denk ik vandaan dat ik gedichten schrijf.  Toen mijn vader 50 werd, hebben mijn zusje, broertje en ik allemaal drie onderwerpen gekozen die met onze vader te maken hadden en allemaal hebben we drie gedichten geschreven over die onderwerpen en nog eentje met z’n drieën samen, dus tien gedichten in totaal. Daar maakte mijn zusje een mooi boekje van. Die gedichten maakten we begin 1997 en nog geen half jaar later zag ik dat affiche hangen voor die poëzieavond en dacht ik: ik vind het zo leuk, ik ga verder met poëzie.”

Lange adem
“Muziek, poëzie en proza zijn mijn grootste hobby’s. Poëzie zit er eigenlijk tussenin. Ik kom uit de muziek, ben dichter geworden en ben proza gaan schrijven op Pluk de Nacht. Van mijn 17e tot 30e heb ik voornamelijk tijd besteed aan muziek, van mijn 28e tot 35e vooral aan poëzie en daarna begon ik met het weblog, een soort voorproefje van proza. De nadruk is nu al iets verschoven naar proza.”

Nog even geduldAriaans heeft, naast de titels die al op zijn naam staan (onder andere jaarwinnaar Festina Lente 1997, en beter: NK Poetry Slam 2004), grote plannen. “Ik hoop dat ik voor mijn 50e een roman heb geschreven. Ik heb het een paar keer geprobeerd, maar ze zeggen niet voor niets: het is iets van de lange adem. Het liefst werk ik aan een stuk door, dan zit ik erin. Als ik een roman schrijf, ben ik daar een week mee bezig en dan heb ik het weer zó druk dat ik het moet laten liggen. Inmiddels heb ik wel zo’n twaalf weken vakantie gespaard, dus ik kan wel vier maanden achter elkaar schrijven. Dan wil ik wel een goed idee hebben.”

“Op mijn weblog heb ik de eerste paar jaar, in 2004 ben ik begonnen geloof ik, veel proza geschreven, maar op een gegeven moment deed ik dat nog maar een keer per week, want het kostte veel tijd. Ik ben geen snelle schrijver. Vroeger heb ik nooit iets gezegd over mijn weblog, want ik wilde alles eerlijk opschrijven. Ik gebruikte geen achternaam. Het zijn redelijk autobiografische stukken, net iets anders dan een dagboek. Het is hier en daar behoorlijk heftig. Als mensen die mij goed kenden, het zouden lezen… Maar in de loop van de tijd kwamen steeds meer mensen erachter. Ik schreef over vrienden, werk en familie. Nu bijna iedereen mijn weblog kent, schrijf ik wat geremder. Als ik ooit een roman schrijf, zal het net als mijn gedichten gefictionaliseerd autobiografisch zijn. Ik vind het heel prettig om te schrijven vanuit mijn eigen beleving.”

Vertrouwd
“Wat ik wel verwacht, is dat ik rond mijn 65e weer poëzie ga schrijven. Geen podiumpoëzie, maar publiceerbare poëzie. Het lijkt me leuk om dat ooit te doen. Misschien dat ik dan een bundel laat publiceren. Ik houd heel veel van poëzie, ook van het moeilijkere werk. Ik ga vaak naar poëzieavonden en –middagen en festivals om naar poëzie te luisteren.”

“Nu maak ik heel andere dingen. Ik verschuil me achter het rijm, het ritme, zodat het gewoon lekker loopt. Dat is vertrouwd. Ik maak vertrouwde dingen omdat ik het al enge genoeg vind om in mijn eentje op een podium te staan, denk ik. Een aanstekelijk ritme is fijn. In rijm en ritme zit mijn voornaamste kracht en een ritmische cadans werkt goed op het publiek.”

“Waar ik niet van houd is keiharde rijm. Subtiel klankrijm gebruik ik vooral, je moet niet het idee krijgen dat het een sinterklaasgedicht is. Bij mij werkt rijm meestal niet in de laatste, maar in de een na laatste lettergreep. Dat maakt het net iets beter. Het hangt ook af van de beat, van versnellingen en vertragingen. Als ik dat alvast heb, dan is het veel makkelijker om het publiek aan me te binden.”

“Ik heb eens bij wijze van experiment een niet-rijmend, niet al te ritmisch gedicht geschreven. Het was een vrij experimenteel gedicht. Ik heb het naar Dichtersweb gestuurd – internet was er nog maar net – en daar deed het gedicht het best goed. Daar kreeg ik zelfvertrouwen door. Toen dacht ik: nou, ik probeer het eens op een slampodium. Nou… echt niet, ik vloog er meteen uit – je hebt vaak een afvalsysteem bij een slam – die experimentele poëzie had geen schijn van kans. Dat kwam misschien doordat er bepaalde verwachtingen waren van mij. Het is sowieso moeilijk om op een slampodium met wat diepere poëzie te scoren. Je kunt geluk hebben, want aan slams doen veel mensen mee die echt totaal niet kunnen slammen.” Ariaans lacht. “Dat kan trouwens grappig zijn. Beter tenenkrommend slecht dan saai.”

Poëzie als hoogste vorm
“Een van de voordelen van poëzie is dat het niets hoeft te kosten. Je hebt er heel weinig voor nodig; pen en papier, je kunt in je hoofd schrijven of met een stokje in het zand. Poëzie zal altijd gemaakt worden, niet voor niets zijn er zo’n 700.000 mensen die het leuk vinden om met taal bezig te zijn. Als je dan toch met taal bezig bent, kom je al gauw bij poëzie uit, denk ik.”

“Poëzie wordt uiteindelijk als de hoogste vorm gezien, in ieder geval binnen de literatuur. Dichters verkopen veruit het slechtst. Waarom nemen uitgevers dan gedichtenbundels in hun fonds op? Vanwege prestige. Poëzie zou eigenlijk juist van deze tijd moeten zijn, waarin alles sneller moet en korter. Veel mensen hebben geen zin meer in dikke boeken. Dichters kunnen een bepaald gevoel vrij compact verwoorden, op de mooist mogelijke manier of op de urgentst mogelijke manier.” Met gefronste wenkbrauwen: “Poëzie is in feite het verrijken van de taal. Bij proza gebruik je taal als hulpmiddel om duidelijk te maken wat je wilt zeggen en in poëzie maak je bijna de taal.”

“Als je kijkt naar het belang bij poëzie op wereldschaal dan zie je hoe armer een land is, hoe belangrijker de poëzie daar wordt gevonden. In de tijd van de Sovjet-Unie bood poëzie veel troost. Ik las ongeveer een jaar geleden een artikel in De Volkskrant over een land, ergens vlakbij Afghanistan, geloof ik. De inwoners van de dorpen daar ontlenen hun eer aan de dichter van het dorp. Elk dorp heeft een soort vertegenwoordiger, dorpsdichter, en elk jaar wordt die tegenover de dichter van een buurdorp gezet om te zien wie het beste kan dichten. De mensen leven er een heel jaar naartoe. Het is vaak het enige wat ze hebben. Ze hebben geen televisie en geen internet…Wat blijft er dan over? Gedichten kun je altijd maken. Alleen al in je gedachten bestaat het. Ze kunnen het je niet afnemen.”

Lees hier deel 3 van dit interview.

Tags:, , , , , ,

Opening online Nederlandse Poëzie Encyclopedie

24 mrt

Met de publicatie van de ‘Jaarlijst 2011‘ is de Nederlandse Poëzie Encyclopedie online gegaan. Deze jaarlijst geeft een zo compleet mogelijk overzicht van wat er aan oorspronkelijk Nederlandstalige dichtbundels, bestemd voor volwassen publiek, door professionele uitgeverijen in Nederland en Vlaanderen in 2011 is uitgebracht.

Op termijn is via elke titel een aparte pagina met een gedicht uit die bundel te raadplegen. Ook zal via elke dichtersnaam een aparte pagina met bio- en bibliografische informatie te vinden zijn. Momenteel staat er – naast het complete overzicht van 2011 – al nadere informatie over zes bundels en de zes bijbehorende dichters op: Job DegenaarIngmar HeytzeLodewijk OuwensArnoud RigterVrouwkje Tuinman en Nachoem M. Wijnberg.

De nieuwe site staat onder redactie van Bart FM Droog, Chrétien Breukers en Andy Fierens, met medewerking van Jurgen Eissink. Het hoofdontwerp van de site is gemaakt door Revan Barlas i.s.m. Bureau Droog. De productie van de jaarlijst 2011 is mede mogelijk gemaakt door een subsidie van € 6250,- uit de pot ‘digitale literaire projecten’ van het Nederlands Letterenfonds. Hoofdfinanciers van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie zijn Bureau Droog en De Contrabas.

(Bericht verschenen op De Contrabas, 23 maart 2012)

Tags:, , , ,

It takes two to tango. Interview met Sven Ariaans (3)

20 mrt

“Over het algemeen schrijf ik niet direct autobiografisch, maar gefictionaliseerd autobiografisch. Ik pluk wel uit mijn eigen leven, maar daar verzin ik vervolgens een verhaal omheen.” Ariaans over thema’s, tactieken, leven na de dood en hoe zijn gedichten tot stand komen.

 “Ik heb een gedicht, ‘Poëziesynthese’, over de poëzie volgens de these-, antithese- en synthesetheorie van de filosoof Hegel. Dat gedicht gaat over dichten en gebruik ik vaak om uit te leggen wat podiumpoëzie is. Het is een ideaal gedicht, omdat ik daarin precies laat zien welke vormen er zijn. Na een korte inleiding komt een heel verstild en dichterlijk gedeelte waarin ik een filosofisch meisje beschrijf. Het tweede gedeelte is er een enorme versnelling en komt een rapper aan het woord. Stilte staat tegenover lawaai en gedachte en ritme. In het derde gedeelte komt een dichter aan het woord die de twee combineert. Het is mijn enige gedicht over schrijven, je moet niet teveel schrijven over schrijven.”

‘Emily’ en ‘De Vulkaan’
“Ik draag regelmatig een gedicht over een operazangeres voor, ik vind het een heel mooie. Het gaat over een meisje dat van haar moeder operazangeres moet worden en zij heeft een heel braaf, truttig leven, maar ze wil dat eigenlijk niet. In het gedicht denkt het publiek: hoe kan dat nou, zo’n braaf meisje, een trutje eigenlijk, met zoveel sex appeal, dat operazangeres is. Van het publiek verplaatst het perspectief zich naar Emily (zo heet het meisje, red.) die voor de spiegel staat en een monoloog houdt over hoe verschrikkelijk ze haar moeder vindt. Het is best heftig, maar ze durft het niet te uiten in het dagelijks leven. Het gedicht eindigt met ‘Het slotapplaus duurt eindeloos, we zien haar duivels glimmen. De buitenkant is op z’n mooist, bij helse brandt van binnen.’ Het is een gedicht dat veel meisjes en vrouwen mooi vinden omdat ze zich erin herkennen, omdat ze in een bepaald keurslijf moesten zitten.”

 

“Het gedicht ‘De Vulkaan’ gaat over religie, over wat mensen doen in naam van hun religie.” Ariaans draagt een stukje voor in het met muziek en gebabbel gevulde café. “Het gaat over een groene vulkaan, een vulkaan die dood is of slaapt en helemaal begroeid is. Daar hoeft niemand nog gevaar van te duchten, maar natuurlijk moet er wel íets gebeuren, dus ontlaadt de vulkaan wel. Het is een tripachtig gedicht, want ik beschrijf het vanuit een dronken jongen die over straat loopt en die geconfronteerd wordt met God. Het blijkt uiteindelijk een droom te zijn. Er vindt heel veel geweld plaats en de wereld staat in brand. Dan wordt de jongen wakker en eindigt het gedicht met ‘Ik die daar dacht dat de wereld in brand stond/zot die ik was, vast weer gedroomd’. De crux zit ‘m erin dat hij gedroomd heeft, maar dat het wel degelijk de waarheid is. Het is een wat abstracter gedicht.”

Hier een geluidsopname van ‘De Vulkaan’.

Hemel en hel, of niet
“Vrij veel van mijn gedichten gaan over grotere onderwerpen, zoals religie. Ik ben niet gelovig opgevoed en ga nooit naar de kerk. Ik wil ook niet zo flauw zijn te zeggen ‘ik geloof dat er iets is’… Ik ben iemand die zichzelf graag voor de gek houdt. Het lijkt mij geruststellend als er iets is, maar je kunt niet weten of er iets is, of niets. Gematigd gelovigen zijn gelukkige mensen, heb ik het idee. Het hoeft niet per se een god te zijn, je kunt het abstract maken. Je kunt in karma geloven.”

 “Vroeger hadden veel mensen het idee van een hemel en een hel. ‘Als ik me goed gedraag, ga ik naar de hemel en als ik me slecht gedraag, ga ik naar de hel’. Daar ben ik niet direct van. Ik heb het gevoel dat ik er gelukkiger van wordt als ik me als een goed mens gedraag.” Ariaans is even stil en zoekt naar de juiste woorden. “Misschien is dat het wel – dat je überhaupt beloond wordt voor het goede doen. Als je slecht doet, krijg je last van je geweten. Ik denk dat je prettig voelen een soort hemel is en een slecht geweten een hel. Grote vraag is natuurlijk wat er gebeurt als je dood bent. Is er leven na de dood? Misschien niet. Misschien is er wel reïncarnatie.” Peinzend: “Ik vind het zeker niet aannemelijk… Ik ben meer een agnost, een onwetende. Ik durf niet te beweren dat er niets is, maar het fascineert me altijd.”

“In Amsterdam ben ik ooit overvallen. Het was best tricky, ik werd beroofd onder bedreiging van een mes en knock-out geslagen. Het was echt stom, ik kwam van een bruiloft af en had een net pak aan, ik zag er best rijk uit. In mijn vrije tijd loop ik in slonzige kleding. Niet lang daarna werd ik wakker. Ik was enorm geschrokken. Ik heb toen een gedicht geschreven over wat er zou gebeuren als ik vermoord was. Ik stelde me een tribunaal voor met Petrus die bepaalt of ik naar de hemel of de hel ga.”

“Het gedicht begint met een jongen die zich afvraagt of de hemel en de hel bestaan, terwijl hij aan het overlijden is – althans, hij weet nog niet of hij overlijdt, hij ijlt een beetje – en opeens ligt hij in een zaal bij een verpleegster. Eerder in het gedicht vraagt hij zich af of zijn opa met een pilsje in de hemel aan het biljarten is. Hij kan het zich niet voorstellen. Je denkt dat de jongen gered is, want hij ligt in een ziekenhuis, maar het gedicht eindigt met zijn opa die binnenkomt met bloemen. Dat zijn verhaaltjes met een sixth sense-achtig einde.”

‘It takes two to tango’
“Ik heb een gedicht dat maar een minuut duurt – voor mij is dat echt heel kort. In het gedicht, ‘De Metro’, is de vorm erg belangrijk. Het gaat over het blikveld van een junky dat steeds nauwer wordt. Het begint met een landkaart en zoomt in op de stad en daarna op de metro, steeds dieper. Ik draag het gedicht voor in de cadans van de metro, van een metro die optrekt en afremt. Er zit ontzettend veel herhaling in, want het gaat over een junky. Ik vind het leuk om letterlijke herhalingen te gebruiken waarbij hetzelfde woord verschillende dingen betekent.”

“Een ander kort gedicht, ‘It takes two to tango’, een sonnet, draag ik niet vaak voor. In het gedicht zie je veel herhaling van woorden om duidelijk te maken: de twee personen in het gedicht hebben elkaar nodig, it takes two to tango. Vorm en inhoud worden één. Spelen met vorm en inhoud vind ik heel leuk om te doen. Als je voordraagt, gaan veel van dat soort subtiele dingetjes langs het publiek heen.

Lees hier ‘De Metro’, ‘It takes two to tango’ en andere gedichten.

“Ik moet bewegen”
 “Je moet wel een beetje geluk hebben met een idee. Sowieso doe ik er vrij lang over om een gedicht te schrijven, omdat ze vaak lang zijn. Ik begin meestal te schrijven en op een bepaald moment denk ik ‘oké, hier kan ik wat mee’ en gooi ik alles wat ik daarvoor heb geschreven weg en begin ik met waar ik mee eindigde. Ik snijd net zo lang tot ik een soort… goudader heb aangeboord… een olieader, een goed idee. Ik moet ergens beginnen, een leeg vel papier of leeg scherm werkt bij mij niet.”

“Heel vaak maak ik lopend een gedicht. Ik moet bewegen. Als ik begin, loop ik soms door de stad heen – vaak door het donker – en zeg ik zinnen in mezelf om te ontdekken wat lekker klinkt. Ik heb een groot dakterras waar ik ook terecht kan. Stilzitten werkt niet bij mij, het helpt als ik sta. Ik zie meteen de voordracht voor me. Tijdens het schrijven heb ik gedichten soms al twintig keer voorgedragen. Ik bedenk me het soort publiek dat er zit – dat kan erg verschillen; voor scholieren of in een bejaardentehuis, of in Paradiso. Daar pas ik mijn materiaal en voordracht op aan.”

“Het moet niet saai worden, er moet humor in of het moet juist aangrijpend zijn. Ik kan redelijk bombastisch zijn. Het is een voordracht, er moet spektakel in zitten.”

Ariaans is niet de enige die ‘moet bewegen’: Ellen Deckwitz danst (Lezentv, Niet drinken maar dansen).

Lees deel 2 van het interview hier.

Tags:, , , , , , , , ,

Ariaans’ epische rap. Interview met Sven Ariaans (2)

14 mrt

“Ik heb ooit een term moeten verzinnen voor mijn poëzie en toen bedacht ik ‘epische rap’.” Sven Ariaans over de Amerikaanse wortel in zijn poëzie, zijn poëzieopera, zijn buurman en zijn epische rap.

“Voor slamrondes schrijf ik altijd gedichten van drie minuten, de standaardlengte van een voordracht voor een slamronde. Je kunt ook drie gedichten van alle drie een minuut schrijven. In Amerika hebben ze vaak gedichten van drie minuten. Het begint er traag met een uiteenzetting, dan komt een versnelling waarmee ze zich ontzettend opwinden” – Ariaans zwaait met zijn handen – “en aan het eind komt een mooie, moralistische boodschap. Dat is Amerika, daar houden ze van moralistische boodschappen. Daardoor ben ik in zekere zin geïnspireerd. Ik vond de versnellingen en vertragingen, het spektakel, heel mooi.”

Aandacht van het publiek
Ariaans vind het leuk om te spelen met versnellingen en vertragingen. “Liefst wil ik dat een gedicht mij niet oplegt hoe ik het voordraag, snel of langzaam. Dat betekent dat ik de meeste van mijn gedichten en afzonderlijke gedeelten daarvan in willekeurige snelheden kan voordragen en zelfs bij elke zin kan bepalen of ik langzaam of snel ga. Met name als ik optreed is dat een groot voordeel. Dan kijk ik goed naar hoe het publiek reageert. Op het moment dat ik merk dat de aandacht van het publiek verslapt – omdat het te langzaam gaat, is soms mijn gevoel – versnel ik.”

“Ik heb op veel verschillende podia gestaan en als ik uitgenodigd wordt, heb ik de aandacht van het publiek al; dat komt speciaal voor mijn optreden. In een café waarin niemand zit te wachten op een poëtische avond, zitten stamgasten die tussendoor ouwehoeren en dat zijn de spannende momenten. De uitdaging is om die mensen erbij te krijgen. Dat vind ik leuk om te doen.”

Ariaans heeft eens workshops gegeven aan scholieren, ook een uitdaging: “Dan zitten er een paar van die ettertjes bij die er niets mee hebben, die lachen en ouwehoeren. Het helpt dat ik een vrij groot repertoire heb, waarbij ik weet: dit is een geschikt gedicht voor die etters. Dan spreek ik hen aan, ‘eentje voor jullie’, en blijf ik hen aankijken. Op het moment dat ik aan hen zie dat ze het niet meer kunnen volgen, ga ik langzamer en als ze verveeld kijken, ga ik sneller. Het volume van je stem is ook belangrijk. Een fout die veel mensen maken, is dat ze bij rumoer harder praten. Dat moet je nooit doen. Vaak moet je juist dan zachter praten en meer met je houding doen, waardoor ze denken ‘er is iets aan de hand’. Een hoog volume moet als een verrassing komen.”

Repertoire van circa 100 gedichten
“Bij nieuw materiaal zorg ik ervoor dat ik het uit mijn hoofd ken. Het oude repertoire ken ik sowieso, veel gedichten kan ik bij wijze van spreken onder narcose voordragen. Ze zitten er zo ingeramd. Ik schrijf relatief weinig nieuwe gedichten, maar een paar per jaar, want ik heb inmiddels een groot repertoire waar ik lekker uit kan putten. Net als bandjes. Die weten op een gegeven moment: dit zijn mijn greatest hits, die vindt het publiek leuk om te horen.”

Volgens Ariaans bestaat zijn repertoire uit meer dan honderd gedichten. “Waarvan twintig gedichten waarmee ik slams kan winnen. Dit zijn gedichten van drie minuten of twee a4’tjes, behoorlijke lappen, in totaal dus ongeveer 40 a4’tjes, die ik ten alle tijden uit mijn hoofd kan voordragen. Daarnaast heb ik nog een heleboel andere dingen.”

“Het klinkt een beetje pretentieus, maar ik heb een keer een poëzieopera gemaakt. Ik krijg wel eens de vraag om op te treden, een keer zelfs voor drie kwartier. Dat kan echt niet, voor poëzie is dat te veel: na tien minuten moet er echt iets anders tussendoor, muziek of zo, anders ligt iedereen plat. Maar zij wilden dat ik minstens een half uur deed. Toen dacht ik: ik speel gitaar, laat ik een poëzieopera maken – de band The Who maakte ook ooit zoiets – waarbij gedichten en liedjes die samen een verhaal vormen, elkaar aflossen. In mijn repertoire zitten daarom gedichten die alleen in dat verhaal passen.”

Persoonlijk verhaal
“Ik vond het een eng idee dat ik in mijn eentje gitaar zou spelen. Ik speelde wel al lang gitaar, maar ik ben niet de beste gitarist en ik ben meer van de liedjes en eventueel het zingen. In de tijd dat ik nog in de band Turn Left zat en het publiek vond het niets, dan zeiden we tegen elkaar ‘dat ligt aan het publiek’. In een band kun je je altijd verschuilen. Wij waren toen met z’n vieren. Als je in je eentje optreedt en je schrijft je eigen teksten, is het veel enger. Als het publiek het dan niets vindt, voel je je een stuk ellendiger. Van mezelf weet ik dat gedichten wel lukken, maar van liedjes wist ik het niet. De eerste paar keren lukte het ook niet, het poëzieopera. Ik was zo nerveus dat ik de akkoorden niet goed kon pakken, ik begon te trillen.”

“De zenuwen voor optredens zijn iets minder nu, maar het gaat niet over. Een beetje spanning is goed, te routinematig op een podium staan werkt niet. Mensen merken nooit dat ik zenuwachtig ben, behalve als ik een blaadje vasthoud. Op slampodia ziet je ook iedereen met blaadjes trillen. Zeker als je een persoonlijk gedicht hebt geschreven kan het zenuwen geven. Ik heb wel wat behoorlijk autobiografische gedichten, die vind ik eng om te doen.”

“Het enge van autobiografische gedichten voordragen zit ‘m met name in het blootgeven van jezelf. Als je voordraagt over een ander, zoals ik doe met bijvoorbeeld ‘De Buurman’ (zie volgend kopje, red.), blijf je zelf buiten schot. Op het moment dat je een (semi-)autobiografisch gedicht voordraagt loop je altijd het risico dat mensen bijvoorbeeld denken: ‘wat een narcist’ of ‘wat een loser’.”

“Voordrachtspoëzie werkt goed als je een persoonlijk verhaal vertelt. Het hoeft niet waar te zijn, je kunt doen alsof het waar is. Frans Kellendonk zei eens: ‘Schrijven is niets anders dan oprecht veinzen’. Of zoals Reve zei: ‘De waarheid is geen excuus’, waarmee hij bedoelde dat je juist fictie moet schrijven. Dat is het wel een beetje, maar als je fictie schrijft, moet je het oprecht kunnen brengen, vind ik. Dat is een van de belangrijkste dingen. Als ik op het podium sta, wil ik dat mensen geloven dat mijn verhaal waar is, of waar zou kunnen zijn. Vanuit een ik-persoon vertellen helpt dan.”

De Buurman
“Een bekend gedicht van mij heet ‘De Buurman’ (zie hier). Ik woonde aan de Kanaalstraat en een paar huizen verderop woonde een man die op een avond helemaal was doorgedraaid en zijn huisraad uit het raam flikkerde. Zijn vrouw was met zijn beste vriend vreemdgegaan. De man heeft later zelfmoord gepleegd.” Ariaans draagt het gedicht bijna nooit voor op slams, want daarvoor is het te lang: het gedicht duurt 6 minuten.

“Het is een heel toegankelijk gedicht. Als ik het moet voordragen in met name bruine cafés met alleen maar oude, eenzame mannen, werkt het gedicht heel goed, omdat het geschreven is uit sympathie voor zo’n man. Het is eigenlijk geschreven vanuit de derde persoon met af en toe een ik-perspectief. De man is goed in moppen vertellen en dat doet hij ook in cafés en hij voelt zich er helemaal geweldig, maar als het café dicht gaat, is hij weer alleen. Het heeft twee kanten zoals in veel van mijn gedichten.”

Epische rap
“Ooit heb ik een term moeten verzinnen voor mijn poëzie en toen bedacht ik dat het epische rap is. Mijn gedichten hebben een begin en eind, ze zijn verhalend – episch – en ritmisch, ze rijmen en zitten zo tegen het rapachtige aan. Epische rap. Ik vind het een mooie omschrijving. Ik houd ook erg van het bekende rapritme. Ik kom uit de blues rock. Rock ’n roll en blues rock hebben eigenlijk vaak dezelfde drie akkoorden, hetzelfde schema. Liedjes die afwijken, bevatten toch vaak die akkoorden, maar in een iets andere volgorde of ze zijn anders getimed. Het klassieke rock ’n roll-ritme, zoiets heb je ook in de rap, vind ik een heel lekker ritme.”

“Een paar van mijn gedichten gaan volgens dat klassieke rapritme. Het rapritme bestaat vaak uit twee korte zinnen, zodat het twee keer vlak achter elkaar rijmt, en de derde zin komt wat later. Eigenlijk bestaat het allemaal uit vier zinnen. De derde zin rijmt even niet, die loopt automatisch over op de vierde zin en de vierde zin heeft het slotrijm dat het krachtigst moet zijn, daar ligt de nadruk op. In de eerste en tweede zin wordt een bewering gedaan en in de derde wordt daar vet overheen gegaan. Met dit ritme houd je de aandacht vast van het publiek.”

Vooral ritme en poëtische beelden zijn voor Ariaans belangrijk. “Bij mij is het wel een voorwaarde dat het lekker bekt. Ik heb momenten dat ik het leuk vind om heel poëtisch taalgebruik te bezigen. Dan moet ik alleen oppassen dat het niet te ironisch wordt, het moet zichzelf niet onderuit halen.”

“Ik kan ook ontzettend veel lol hebben om juist in spreektaal een strofe te schrijven of bijvoorbeeld een zin te maken die acht regels doorloopt, die helemaal ritmisch correct in elkaar zit. Ik maak veel gebruik van een walsachtig ritme… ta ta ta, ta ta ta, ta ta ta… elke klemtoon op de eerste lettergreep of op de derde. Klemtonen, daar gaat het bij mij om. Ik geloof dat daar mijn kracht in ligt, in het lekker laten lopen van gedichten. En subtiel binnenrijm. Eindrijm gebruik ik minder, tenzij het echt kan, als het een statement is.”

Lees deel 1 van het interview hier.

Tags:, , , , , ,

In den beginne was er podiumpoëzie. Interview met Sven Ariaans (1)

7 mrt

De man die werd geboren op 14 mei 1969 in Tiel, woont in een van de meest groene straten van het centrum van Amsterdam, volgens hem zelf. Sven Ariaans is een van de eerste en bekendste slamdichters van Nederland. Woonachtig in de hoofdstad is hij sinds 5 november 2011 de officiële en eerste stadsdichter van Tiel.

We lopen de straat uit en arriveren bij een cafeetje in de Jan Pieter Heijestraat. Ariaans bestelt koffie verkeerd en neemt plaats bij het raam. Terwijl de bestelling arriveert , vertelt de slammer hoe zijn poëziecarrière in 1997 begon. “Het kwam eigenlijk doordat ik in een bandje speelde, Turn Left. De eerste drie jaar van Appelpop hebben we met ons bandje op het podium gestaan. Toen was Appelpop nog vrij klein. In ieder geval, dat bandje was Engelstalig en ik wilde graag Nederlandstalige teksten schrijven omdat ik dacht dat ik dan beter kon zeggen wat ik wilde, maar de rest wilde dat niet.”

“In een café hier verderop zag ik een aanplakbiljet van een poëzieavond hangen. Ik dacht: misschien dat ik daar wat mee kan. Ik had zelf nog helemaal niks, dus ik ging alleen kijken. Toen ik zag wat die dichters deden – het werd gehouden in een buurthuis en het waren een beetje amateuristische dichters – dacht ik: dat kan ik ook wel.”

De eerste poetry slams
Iedere poëzieavond (elke derde donderdag van de maand) was er aan het eind een open podium waar iedereen die het wilde, kon voordragen. Nadat Ariaans een kijkje had genomen, schreef hij voor de eerstvolgende avond een gedicht. “De eerste voordracht vond ik heel eng om te doen. Ik had het niemand laten lezen. Ik had het voor iedereen geheimgehouden, alleen mijn toenmalige vrouw had ik het verteld, maar ze mocht absoluut niet mee van mij en ze mocht het ook niet lezen. Nou, het voordragen viel heel goed.” Het was de derde donderdag van september 1997, de dag dat Ariaans zijn voeten dus voor het eerst op een poëziepodium plaatste en zenuwachtig  een gedicht voordroeg.

“Nadat ik voor het eerst naar die dichtavond was geweest – dit klinkt heel verkeerd,” grijnst Ariaans “heb ik de Dikke Komrij gekocht, alle delen. Ik heb het helemaal doorgelezen om mee te kunnen praten, want ik kende haast geen dichters. De wat oudere poëzie heb ik vluchtig gelezen, maar met name de modernere heb ik van begin tot eind gelezen, waardoor ik een flinke bagage kreeg. Later kocht ik individuele bundels van dichters, maar ik begon dus met de ‘bijbel’. Van Nijhoff hield ik erg en Achterberg – die heeft er een behoorlijk ritme in zitten – vond ik mooi, maar het is niet zo dat ik door hun geïnspireerd ben.”

Ariaans deed elke maand weer mee met een nieuw gedicht, tot hij op een avond hoorde dat er nog meer poëziepodia waren. “Ik ontdekte nog drie andere open poëziepodia in Amsterdam. Toen begon ik echt te lopen, ik kon vier keer per maand ergens terecht om nieuw werk voor te dragen. Op een van die open podia zei een meisje mij dat er een poetry slam werd georganiseerd in café Festina Lente in de Jordaan. Een wedstrijd waarbij je geld kon winnen. Voor vijf gulden kon je meedoen. En Simon Vinkenoog zat in de jury. Daar deed ik aan mee, het was de eerste poetry slam in Nederland, en die heb ik gewonnen.”

Ariaans tijdens Slamnight van de Nacht van de Poëzie

“Als je eenmaal had gewonnen, mocht je niet meer meedoen, maar aan het eind van het jaar later kwamen alle maandwinnaars, een stuk of tien, samen voor een grande finale, om de jaarwinnaar te bepalen. Die heb ik ook gewonnen. Dat was in 1998. Het fenomeen poetry slam stond nog in kinderschoenen. Daarna kwamen Rotterdam, Eindhoven en Leiden er snel bij en wat later Utrecht en nu zijn er zelfs poetry slams in Vlissingen en Enschede.”

Hoogtepunt van de slampoëzie
In 1999 zat Ariaans al in de jury van Festina Lente, met Simon Vinkenoog die qua voordracht een voorbeeld was voor Ariaans. “Sindsdien heb ik steeds in de jury van Festina gezeten. Vinkenoog heb ik daardoor heel goed leren kennen, we werden vrienden en ik kwam over de vloer bij hem. Je kon altijd zien dat hij er veel zin in had, hij was erg energiek. Zijn poëzie vind ik niet zo best, maar de manier waarop hij het bracht vind ik erg knap. Voor mij was het een hele eer om met hem in de jury te zitten. 1999 was ook het jaar dat ik door het hele land op ging treden.”

Inmiddels zit Ariaans al twaalf jaar in de jury van Festina en heeft hij honderden dichters op het podium zien staan. “De winnaar van het NK Poetry Slam van 2011, Kira Wuck, deed vijf jaar geleden al mee aan Festina. Toen vloog ze er nog in de eerste rond uit, nu is ze Nederlands kampioen geworden.”

In 2002 organiseerde de Wintertuin het eerste Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. De jaarwinnaars van grote poëzieslams mochten zich kwalificeren. Erik Jan Harmens werd de winnaar. “Dat jaar was eigenlijk het hoogtepunt van de poetry slam. Heel veel talent dat niet wist dat zoiets bestond en niet aan de bak kwam bij uitgeverijen – het is vaak niet rendabel voor uitgevers om poëzie uit te geven – kwam toen bovendrijven. Veel dichters zijn na de slams bekend geworden, Tjitske Jansen bijvoorbeeld.  Ik heb haar, Erik Jan Harmens en Eus Kuiper namens Festina meegenomen naar het NK Poetry Slam 2002.”

Stand-up poetry
“Er zijn maar weinig hardcore slammers. ACG Vianen is er een. Hij schrijft heel experimentele slampoëzie en maakt ontzettend veel geluid bij zijn voordracht, van heel zacht tot HEEL HARD.” Ariaans slaakt een kreet. “Zulke effecten werken spectaculair. Hem moet je echt zien optreden.”

“De meeste slammers zien het slammen meer als een opstapje naar een contract bij een uitgeverij. Ze publiceren een bundel en daarna doen ze vaak niet meer mee aan slams. Je komt in een netwerk terecht. Erik Jan Harmens bijvoorbeeld heeft nu veel contacten bij uitgeverijen. Die zat vorig jaar nog bij ons in de jury van Festina. Sander Meij, onze presentator, is dichter en werkt bij een uitgeverij. Als Sander iets goeds ziet, tipt hij zijn werkgever. Je ziet het gauw als iemand talent heeft. Veel slammers schrijven heel poëtische gedichten die prima in een bundel passen.”

“Mijn poëzie is anders. Het is echte podiumpoëzie,” zegt Ariaans stellig. “Zoals je light verse hebt, heb je ook hermetische poëzie en podiumpoëzie. Ik wil geen bundels publiceren, want daar is mijn werk niet geschikt voor: mijn werk moet je echt zien op het podium. Mijn gedichten moeten het hebben van mimiek en timing en de voordracht is heel belangrijk. Het is een beetje stand-up poetry. Als je mijn gedichten op papier leest, ja dan rijmt het allemaal, het ritme is prima verzorgd, maar het zijn meestal rapachtige dingen… Het zijn een soort liedjes. Liedtekst zonder muziek is meestal ook minder.”

Lees ook een interview (Meander, 2004) met Ariaans over de ontwikkelingen in de slampoëzie.
Handig: deze documentaire.

Tags:, , , , , ,

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.